top of page

Martin Oei en het Enkhuizer Bach Ensemble 10 maart 2024




Gehoord, gezien en beleefd in de Zuiderkerk in Enkhuizen het concert op 10 maart 2024 gegeven voor de Muziekkring Enkhuizen en Omstreken door Martin Oei, piano en het Enkhuizer Bach  Ensemble o.l.v. Jerry Korsmit.

Een bijzonder optreden wederom in de wonderschone Zuiderkerk, de locatie waar al zo vaak de heerlijkste muziek heeft geklonken. Ook vanmiddag klinkt verrukkelijk pianospel door Martin Oei en de Vox Humana wordt vertolkt door het Enkhuizer Bach Ensemble.

 

          De opening van het concert geschiedde weer op de voor de voorzitter Joke Poelsma  zo kenmerkende wijze: verwelkomend, vriendelijk en deskundig.  Omdat Martin Oei de favoriete pianist is van Frits Janmaat van Maison Erard , speelde Martin op een door Janmaat ter beschikking gestelde Erard vleugel. Ook maakte Joke het publiek attent op de verbeeldingen van de 14 Kruiswegstaties door  Tanja Minks.

        

           Als je pianist bent speel je natuurlijk Chopin! De bij uitstek pianistencomponist leefde van 1810 tot 1849, inderdaad slecht 39 jaar geworden, maar wat  een fantastisch oeuvre heeft hij bijeen geschreven. Op 22 februari j.l. was het 224 jaar geleden dat hij geboren werd in het dorpje Zelazowa  Wola in het hertogdom Warschau, uit een Poolse moeder en een Franse vader. Frédéric gaf op zevenjarige leeftijd zijn eerste composities uit en debuteerde op zijn achtste. Op zijn buitenlandse concertreis van 1830 kon hij wegens de Russische repressie  niet terug naar zijn moederland. (Polen was een vazalstaat van Rusland, maar de in 1830 begonnen opstand tegen het tsarenregime werd hard neergeslagen).  Met vele landgenoten leefde  hij als  balling in Parijs en maakte daar kennis met de vele artistieke grootheden van die tijd: De Balzac, Berlioz, Heine, Liszt, Meyerbeer. Hij verbleef korte tijd in Engeland en Schotland en op Mallorca, waar hij een stormachtige relatie had met Baronesse Dupin /George Sand. Tbc sloopte hem uiteindelijk. Zijn lichaam werd begraven op Père Lachaise, maar zijn hart bevindt zich in de kathedraal van Warschau, in zijn geliefde Polen.

           Ballade nr 1 in g klein opus 23 en geschreven tussen 1831 en 1835. Hij maakte de eerste schetsen in Wenen. Het stuk werd In Parijs voltooid en opgedragen aan  baron Bodo von Stockhausen. Er zijn twee thema’s die terugkeren in wiegende 6/8 maat, kenmerkend voor de balladevorm. Een beschouwend begin, dan het eerste thema, mooi voorgedragen in een lichte dramatiek. Het is bijzonder dat Chopin zo goed herkenbaar is in zijn muziek. De vlugge rechterhand, begeleidt door de bashand, de zangerigheid, het flux-de clavier, kostelijke muziek. Op de Erardvleugels van deze klanken varen ze door het Zuiderkerkgewelf. Oei speelt in een afwisselend fluisterend en krachtig toucher. Het nieuwe thema komt ook fraai tot klinken. Het eindigt in een snel en onstuimig presto con fuoco:  een treffend en imposant slot. Dit alles beroert de innerlijke mens, de ziel.      

           Ballade nr 4 in f klein opus 52 geschreven in december 1842 en  wordt als de moeilijkste beschouwd. Pianist en componist John Ogdon: “Het is ongelooflijk dat deze ballade maar 12 minuten duurt want het bevat de totale  ervaring van een heel mensenleven.” Een herhalend motiefje dat overgaat in een lieflijke en sierlijke melodie, fijnzinnige klanken die je thuis doen komen in harmonie en vrede. Dan volgen er steviger tonen en melodieën , soms wat kortaf a.h.w. door snelle toonladders. Een mooi gezicht: de handen die de witte en zwarte toetsen beroeren, de rechtervoet die het pedaal bedient, Martin die af en toe opzij kijkt, achterover leunt in een soort van trance, de man die IN de muziek is, maar haast de belichaming ervan toont te zijn. De cadans van de muziek, de loopjes, de mooie bashand van Oei, het is een feest om dit te mogen meebeleven met een verrassend slot. Een bescheiden buiging is de dank voor het opklaterende  applaus.

 

          Franz Liszt (1811-1886) was net zo’n gelauwerde pianist-componist als Chopin en die eveneens een magische aantrekkingskracht uitoefende op zijn omgeving. Geboren op het landgoed van de beroemde Esterhazy’s: zijn vader speelde cello in het hoforkest o.l.v. Joseph Haydn. Liszt verdeelde zijn tijd tussen Wenen en Parijs en later tussen Weimar, Boedapest en Rome, alwaar hij tot subdiaken gewijd werd, waardoor hij zich ook wel Abbé liet noemen.  Franz/Ferenc gaf op zijn negende zijn eerste concert.  Hij wordt beschouwd als de uitvinder van het pianorecital en het symfonische gedicht.

          Études d’éxécution transcendante, een serie  van 12 die hij begon in 1824 en voltooide in 1851, wellicht een knipoog naar 2x12: de 24 van Bach en Chopin gingen hem voor met getal van 24, (overigens préludes genoemd) en Rachmaninov en Sjostakovitsj volgden later. Niet de études zijn transcendent (bovenzinnelijk)

maar de uitvoering ervan, de exécution.  

          Nr. 10 in f klein “Appassionata” De pianist moet zijn techniek dienstbaar maken aan de expressie! Doorschijnende, transcendente Lisztklanken tovert Oei uit de Erardvleugel. Een orenschijnlijke wirwar van noten die op onwaarschijnlijk virtuoze wijze aan de piano worden ontlokt, getoverd welhaast. Soms lijken de tien vingers van Oei met elkaar in de knoop te geraken maar wonder boven wonder  komt het steeds weer goed: een fabelachtige techniek ontplooit hij in  dienst van de expressionele uitvoering van  deze wondere pianowereld van Liszt. Het is zeer emotionele muziek die uitbarst in een heftige coda. Dankbare en enthousiaste bijval van het publiek.

          Nr. 11 in Des groot “Harmonies du soir”.

 Een lieflijke start, je waant je in een droomtuin. Kruisgrepen…je hoort een fontein klateren, ziet struiken wuiven, knoestige stammen rijzen hoog op…een zoele zomeravond, waarin het jachtige gedruis van alledag verstomt en we opgenomen worden in een fijnzinnige avondlijke sfeer. Hier hipt een mus, daar zingt een merel, er klinken vrolijke instrumenten uit de muziektent waar een gezelschap de wandelaars verrast met hun kunst. Martin Oei is een fenomenaal artiest die emotie en techniek laat samenvloeien tot een kostelijk en kostbaar geheel. Een rustige en zoete afsluiting.

          Niccoló Paganini (1782-1840) , geboren in Genua, zijn eerste optreden als vioolvirtuoos was op zijn elfde jaar. Op zijn 15de begon hij met concertreizen door heel Europa. Hij werd betiteld als duivelsviolist, daarom speelde hij des nachts op kerkhoven voor de doden om die titel waar te maken. Hij schminkte zijn gezicht wit bij zijn optredens, zodat hij als hoogromantisch - lijdende kunstenaar door het leven kon gaan.  Hij bespeelde een viool van Guarneri: “Il Cannone”. Hij schreef o.a. zes vioolconcerten, zijn Cappriccio’s voor vioolsolo zijn berucht om hun moeilijkheidsgraad. O.a. Liszt, Brahms en Rachmaninov werden door hem beïnvloed.

          Uit: Grandes études S. 141: La Campanella. Gecomponeerd in 1851, de melodie komt uit zijn 2de vioolconcert, “het belletje” omdat elke noot van de melodie wordt afgewisseld door een andere hoge noot, het geluid van een belletje. Nu dan op de piano gespeeld. Grote sprongen, twee octaven, en met 16de noten en trillers met pink en ringvinger van de rechterhand! De bekende klokjesklankenmelodieën in zijn talloze variaties veroveren de ruimte  van de kerk en de harten van de toehoorders. Wat klinken die belletjes ECHT op de Erard. De vingers van Martin Oei zijn door de snelheid niet meer scherp te onderscheiden! Een heerlijk huzarenstuk op de piano en dat oogst een even verrukkelijke bijval van het publiek.

          Franz Liszt: Via Crucis, bezingt en speelt de veertien kruiswegstaties van Jezus. Het is een van zijn latere werken (voltooid in 1879) en van de “rockster” die Liszt was in zijn jongere jaren was niet veel meer over. Dit werk kenmerkt zich door een grote verstilling.

Combinatie van unisonozang, Lutherse hymnen en op Bach geïnspireerde koralen, terwijl ook delen als pianosolo voorkomen. Gregoriaans, Da Palestrina en Bach dwalen door het werk. Een unieke gelegenheid om dit zelden uitgevoerde werk te leren kennen. O. Inleiding: Vexilla regis , waarin koor en solozang afgewisseld  worden. Het koor zingt goed geïntoneerd en je kunt horen dat er veel aandacht aan stemvorming en uitspraaktechniek is gedaan in de voorbereidingen. Ook de inzetten die soms onlogisch lijken gaan vlekkeloos.

          1. Terdoodveroordeling: Innocens ergo sum. Unisono plechtig  en een goede balans tussen de vrouwen- en mannenstemmen. De Gregoriaanse invloeden zijn duidelijk. 2. Jezus neemt zijn  kruis op: Ave Crux. Dan de baritonstem met iets te weinig volume zingt O Crux Ave, de meerstemmige zang klinkt duidelijk in de uitspraak. 3. Jezus valt:  Jesus cadit (mannen) Stabat mater (vrouwen) met mooie dramatiek vertolkt. 4. Ontmoet Maria: pianosolo. Reeksen halve noten symboliseren hun ontmoeting.  5. Simon van Cyrene: pianosolo. Hulp in de vorm van een  weerkerend motief.  6. Veronica wist zijn gelaat af. Koraal- O Haupt voll Blut und Wunden met een korte piano-inleiding. Prachtig en ingehouden gezongen met veel uitdrukking en met een sterke apotheose van koor en piano.  7. Valt: zie 3. Opvallend de grote stemsprong. 8. Hij troost de rouwende dochters van Jeruzalem: Baritonstem- Nolite flere super me. Langere piano-inleiding en goed geÏntoneerd gezongen. 9. Valt: zie 3. 10. Van zijn Kleding beroofd: in een dreigende pianopartij met veel dissonanten. 11. Kruisiging: Het koor zingt Crucifige! De krachtig gezongen en emotioneel geladen woorden klinken hard en dreigend. 12. Sterft: De Kruiswoorden Eli, Eli, Het is volbracht en In Uw handen beveel ik mijn geest worden met veel inlevingsvermogen en emotioneel weergegeven en besloten met het koraal O Traurigkeit, O Herzeleid. 13. Kruisafname: pianosolo, ingetogen gespeeld met treurige dictie aan de diskantzijde.  14. In het graf gelegd: meerstemmige variaties op Vexillia regis, met de nodige ingetogenheid gezongen, waarbij de vrouwen inzetten. Na het uitgebreide vierstemmige Amen klinkt nog tweemaal Ave Crux. Drie pianobasnoten besluiten het stuk. Devotie en Vroomheid alom in dit aangrijpende werk. Een aparte ervaring.

          César Franck  (1822-1890), componist, pianist, organist, dirigent en muziekpedagoog, voorwaar een veelzijdig man. Hij werd geboren in Luik, dat toen nog bij Nederland hoorde.  Toen César dertien jaar was verhuisde het gezin naar Parijs, papa was bankier, waar de zoon aan het Conservatoire de Paris ging studeren. In 1843 moest hij op last van Franck sr. het conservatorium verlaten. In 1845 brak hij met zijn vader, die meer geïnteresseerd was in de revenuen van de optredens van zijn geniale zoon dan in diens muzikale ontwikkeling. César schreef o.a. kamermuziek, liederen,  kerkmuziek vier opera’s, oratoria, symfonische gedichten. Zijn orgelwerk staat hoog aangeschreven. Zijn werk kenmerkt zich door toepassing  van het zgn. cyclische principe, waarbij thema’s in allerlei gedaanten door de gehele compositie worden verwerkt. Hij werd in Parijs aangereden door een door paarden getrokken  omnibus hetgeen hem uiteindelijk noodlottig werd.

          Dextera Domini, offertorium voor Witte donderdag, de Paaswake en de derde zondag na Driekoningen. (Offertorium: het aandragen van brood en wijn voor de eucharistie; tegelijk wordt er gecollecteerd). Tekst uit Psalm 118: Gods rechterhand maakte mij sterk en verhoogde mij. Ik zal niet sterven maar leven en over de werken des Heren verhalen.  Mooie en uitgewogen koorzang sterk in tegenstelling tussen  piano en forte. Vooral het Alleluja was indrukwekkend en de begeleiding ook nu weer subliem.                                                     Een bijzonder einde: fluisterzacht!

Wederom getuige van een uitzonderlijk concert, met dank aan het bestuur!

 

Liefhebber, Klaas Herman de Haan

 

48 weergaven0 opmerkingen

Recente blogposts

Alles weergeven

コメント


bottom of page